Het is woensdag 4 februari. De afgelopen twee dagen bezochten we scholen in verschillende regio’s in Uganda. Nu eten we ons zojuist afgehaalde avondeten in het Classic Rock hotel in Tororo. We drinken er een Nile Special-biertje, het lokale bier, bij. De zaal waarin we zitten is leeg, op ons gezelschap na. We zeggen niet veel. Dan pakt Martine haar telefoon, ze richt de camera op mij en vraagt: “Hoe gaat het, Gerben?” Geen moeilijke vraag, zou je denken. Maar een gemakkelijk antwoord is er nu niet.

 

Mijn collega Martine en ik zijn, samen met Sabine van Plan Nederland, op reis in Uganda om de Expedition Uganda voor te bereiden. We onderzoeken of we hier met de deelnemers aan de Expedition – Nederlandse onderwijsprofessionals – een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan het onderwijs voor meisjes hier in Uganda. En dan op zo’n manier dat het ook impact heeft op de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers.

 

In de war

Ik voel de camera op me gericht. In de verte hoor ik Martine’s stem. Maar ik ben diep in gedachten. Ik moet schakelen en heb niet direct een antwoord klaar. Alle indrukken die ik de afgelopen twee dagen heb opgedaan, hebben me behoorlijk in de war gebracht. Ik weet nog niet zo goed hoe ik me verhoud tot alle beelden die ik heb gezien en alle verhalen die ik heb gehoord. Wat ik wel weet is dat ik dit ‘in de war zijn’ niet als onprettig ervaar.

 

Reflectie

In reflectiegesprekken met collega’s en vrienden na mijn reis kwam dat moment, dat gevoel, regelmatig terug. Wat maakte dat ik me op dat moment zo ‘in de war’ voelde? En wat maakte dat ik niet kon aangeven wat ik dacht? Ik wil niet beweren dat ik nu hét antwoord op deze vragen ken, maar dit is wat ik denk.

 

Een bakje zoeken

Veel van wat ik in mijn leven meemaak, ligt dicht bij ervaringen die ik al heb of situaties die ik al ken. Dat maakt dat ik nieuwe ervaringen gemakkelijk kan beoordelen en een plek kan geven. Maar in de twee dagen dat ik in Uganda scholen bezocht en leerlingen, docenten en schoolleiders sprak, deed ik ervaringen op die helemaal niet pasten bij wat ik al kende en wat ik al een keer beoordeeld had. Het voelde alsof ik zonder succes een ‘bakje’ aan het zoeken was waar ik deze ervaringen een plek kon geven. Soms waren dat ‘kleine’ ervaringen. Zoals toen ik tot drie keer toe een vraag stelde aan een vrouwelijke docent en de vraag tot drie keer toe beantwoord kreeg door haar mannelijke collega’s. (Alleen als we apart met vrouwelijke docenten spraken deelden zij hun ervaringen en gedachten met ons.) En soms waren het ‘grote’ – buitengewoon ontroerende – ervaringen. Zoals het verhaal van een meisje in een rolstoel dat elke dag door haar buurmeisje naar school wordt geduwd en weer terug. Twee keer 1,5 uur over een zandpad.

 

Referentiekader

Door die worsteling – want zo voelde het voor mij wel van tijd tot tijd – heb ik in Uganda blijvend geleerd. Overtuigingen die ik had, werden daar ter discussie gesteld. Aannames die ik deed (en nog steeds doe) bleken niet te kloppen. Ik deed ervaringen op die niet vanzelfsprekend pasten bij wat ik al wist of kende en zo werd mijn referentiekader of mijn manier van kijken naar de wereld, opgerekt. In een aantal gevallen zelfs grof van tafel geveegd.

 

Leren over mezelf

Daarmee leerde ik iets belangrijks over mezelf. Wat gebeurt er met mij als ik uit mijn comfortzone wordt gebracht? Wat doe ik als nieuwe ervaringen niet in mijn ‘bakjes’, in mijn referentiekaders, passen? De inzichten die ik daarover opdeed zijn voor mij zo de moeite waard, dat ik ook nu ik weer in Nederland ben, regelmatig probeer om die worsteling die ik in Uganda heb ervaren, opnieuw op te zoeken. Waar ik voorheen de ervaringen van alledag snel wist ‘weg te categoriseren’, stel ik mijn oordeel nu veel langer uit.

 

Gemakkelijk is dat niet. Categoriseren helpt immers om mijn wereld overzichtelijk te maken. Het uitstellen van mijn oordeel houdt mijn wereld complex. Dat voelt soms ongemakkelijk, maar maakt mijn leven ook veel leuker.

 

Auteur: Gerben Zonneveld